Meer schrijven

Schrijven maakt mij blij. Het op papier zetten van wonderlijke gebeurtenissen vol van de vreugde van het leven en God, meestal door de pijn heen, versterkt mijn eigen gevoel van Leven. Leven met een hoofdletter, vol van emoties en ervaringen, genade en bovenal… de Liefde.

De ziel

Onze dames van 2 en 4 zitten samen in bad. Hun gezellige speel en kwebbel geluiden zijn een balsem. Ik kan er uren naar luisteren. Ondertussen potter ik wat om en blijf in de buurt. Boekjes opruimen, pyjama’s klaarleggen, een donker wasje ophangen. Als alles wat klaar is valt mijn oog op een titel in onze kleine boekenkast; “Bluebirds”, mijn absoluut lievelingsboek. Een roman, over een volmaakte liefde in een andere werkelijkheid. Het is de Engelse versie die ik ooit 2ehands online kocht om het door de verkoper rechtstreeks naar mijn beste vriendin in Schotland te laten sturen. Duidelijk hebben we niet dezelfde smaak in boeken. Tijdens haar laatste bezoek aan ons lag het opeens op het aanrecht netjes naast 3 grote dozen met Engelse Tetley thee. Ik streel liefkozend de versleten kaft met mijn handen en besluit het weer te lezen. In gedachten plof ik op ons bed en open het dunne kleine boekje. David Frasure staat er geschreven in een prachtig handschrift met dik zeeblauwe inkt. Er gebeurd iets wonderlijks als ik die handtekening zie staan. Alles in mij wordt stil. Al mijn twijfels, al mijn wensen, al mijn gedachten groot en klein. Een paar seconden is het leven geheel licht en volmaakt. Het voelt allesomvattend blij in die stilte. Als ik opkijk staat daar mijn oudste dochter. Bloot, nat, druppend van het water en haar blonde haren als slierten om haar koppie. Ik kijk in haar grote blauwe ogen en zie: alles.

Haar hele zijn laat ze aan mij zien.

In dat lieve gezichtje zie ik, haar verleden, haar thuis, haar lange reis, haar ziel. En wat ik zie is zo mooi, zo puur en zo liefdevol dat mijn mond open hangt en ik een paar seconden nóg stiller ben. We kijken elkaar aan en delen het moment, mijn net vier jaar oude dochter en ik.

“Och kind,” stamel ik, “wat ben je schitterend mooi. Wat ben jij prachtig!” Ik huil.

Haar hele gezichtje breekt open, ze straalt. Ik heb het juiste gezegd. Haar hele wezen gloeit;  ik ben gezien! Ze barst uit in een galopperende levensdans die onze houten vloerplanken doet kraken.

Haar naakte lijfje rent zo hard door de slaapkamers dat ik, terug in mijn normale staat van bewust zijn, mij zorgen maak of ze zich niet ergens ernstig pijn aan gaat doen. Verwonderd zit ik een half uur later in een stille woonkamer op onze hoekbank. De autootjes en Duplo liggen als na een bomexplosie aan mijn voeten. Is dat hoe het voelt, verlicht zijn? En, nog meer, heb ik ooit eerder iemand anders echt gezien? Ben ik in dit leven wel door iemand gezien? Of is de betere vraag, heb ik mij wel laten zien?

Zijn we als ziel echt zó mooi?

Verdwaasd hijs ik mijzelf van de bank, eerst maar een grote mok met sterke Engelse Tetley thee.

Sinterklaas, elfjes en kabouters

Het is een prachtige herfstdag en we lopen samen in de lage gouden zonnestralen. Ik ben een kersverse moeder en onze eerste meiske is nog maar een paar weken oud.

De stoeptegels zijn roze wolken en haar wandelwagen mijn Rolls Royce. Ik ben verrukt, en zó trots. We lopen samen uren door de stad. Teder buig ik me over haar slapende gezichtje als ik innerlijk haar stem hoor. “Mama” en ze wacht op mijn antwoord. “Ja lieverd” murmel ik aarzelend terwijl ik naar haar volmaakte gezichtje kijk. Buiten de buik heeft ze mij nog maar weinig op deze manier aangesproken en ik moet er nog wat aan wennen. Het is zo duidelijk en helder, een liefelijke zachte stem, in mijn innerlijk, er gaat een lichte rilling over mijn rug. “Ik wil de waarheid weten over Sinterklaas”.

“Oh,” en ik ben heel even stil. “Dan gaan we daar ons best voor doen, kruimeltje.”

De eerste jaren is dat niet moeilijk. Een paar maanden na de tweede pakjesavond gebeurd er iets wat maximaal bevestigd dat haar verzoek belangrijk is.

Samen met een lieve vriendin gaan we, op een zondagochtend, naar de snuffelmarkt. Papa past thuis op de kinderen. Na enkele uren komen we gezegend, bepakt en bezakt terug van onze koopjesjacht. Zodra we op de deurmat stappen hangt de blonde spruit aan mijn arm. ”Mama, mama, ik wil fietsje, héél klein fietsje, die rode, héééél klein.” Ze maakt een gebaar met haar vingers. Ik ben verbijsterd en sta in de deuropening stil. “Hoe bedoel je meisje”? vraag ik voor alle zekerheid. Ze geeft me haar bekende; tjonge, tjonge wat ben je toch langzaam blik en herhaald, met klemtonen en grote gebaren, haar verzoek. ”In tas, rood, daar, héél héél klein fietsje met héél héél klein stuurtje.” Ze wijst priemend met haar vingertje en wacht af. Voor de thee, zelfs voor het -ik ben net thuis en moet nodig plassen wc- bezoek, open ik de witte plastic tas. Daarin zit een doorzichtige plastic zak met een assortiment aan duplo, €7.50 in één koop, niet duur. Ik grabbel even en vind wat ik zoek. Eén piepklein rood duplo driewielertje, net gekocht en nog niet eerder in mijn handen gehad. Als beloning krijg ik een goedkeurend lachje terwijl ze hem uit mijn handen trekt en begint met spelen. Ik ben verbijsterd, nog steeds. Ze wist het, ze wist het precies en met zekerheid.

 Als iemand tegen haar liegt gaat haar hoofdje wat schuin staan en trekt haar ene oogje, loenzend, naar binnen. Met een verwarde blik kijkt ze dan even verdrietig voordat ze zich wegdraait.

 Sinterklaas bestaat is dus, inderdaad, geen goed idee, ze had gelijk. De waarheid vertellen zorgt thuis voor veel gezelligheid. Met haar verkleed als zwarte Piet gaan we, als ze drie is, op die veel te koude ochtend naar de intocht, uren blauwbekken omdat de boot te laat is. Ondanks dat ze weet dat het ‘doen alsof is’, vind ze het super spannend en geniet. Ze is bang voor alle die vreemde mannen en vind de boot en het blaasorkest prachtig. Thuis mag ze samen met haar zusje de schoen opzetten en weken luisteren we naar de Nachtegaaltjes tot ze stralend een paar liedje mee kan zingen. Vlak voor de grote dag haal ik de vier Pieten petten tevoorschijn. Ik ben; de pakjes inpak Piet, Papa, de dicht Piet, zij is de lintjes Piet en haar zusje; de kleinste Piet. Haar eigen cadeautjes ziet ze natuurlijk niet. Maar wel die van anderen. We vieren de geest van Sinterklaas weet ze. Geloven in cadeautjes geven, in iets voor elkaar doen en de liefde delen.

Lieve mensen om ons heen weten dat we de waarheid vertellen en doen hierin mee. Vreemden zijn een ander verhaal. Iedereen wil er met een klein kind blijkbaar over praten om haar allemaal sprookjes op de mouw te spelden. “Heeft Sinterklaas al wat in je schoen gedaan, liefje?” vraagt een mevrouw in de boekenwinkel, “of heeft hij het daar te druk voor? Er zijn ook zoveel kindjes hé, ben je wel zoet?”

Aarzelend kijkt ons liefje even naar mij, zeg jij het of ik? vraagt haar blik en ze begint met één been, op een vaste plek, onvaste rondjes te draaien. De mevrouw gaat door, ze is nu echt in de stemming. Ik begin me opgelaten te voelen en weet niet goed wat ik nu doen moet. Na nog een paar minuten  flap ik het er uit. “We vertellen haar de waarheid over Sinterklaas.” Ik weet wat nu komen gaat. Totale schok, en afkeuring.

Niet inenten begrijpen verbazend veel mensen, geen suiker vinden de meesten zelfs een goed idee, maar de waarheid over Sinterklaas? Echt waar, dat roept emoties op. Van irritatie tot iets wat het meest lijkt op woede. “De waarheid? Maar mevrouw toch, het is zo’n prachtige traditie, moet u uw kind nu echt ook dat laatste stukje fantasie ontnemen?” Ze kijkt me open vijandelijk aan terwijl haar stem door de winkel davert.

Ik heb binnenpret om het antwoord wat me gelijk te binnenschiet; “Och nee, mevrouw, fantasie genoeg. Wij geloven namelijk in elfjes en kabouters!” En ik geef haar een vette knipoog. Tevreden pak ik mijn, waarheidswetend, kind bij de hand en loop weg bij de mevrouw. Haar mond staat open.

Engels soldaatje

De wind waait zo hard dat ik, af en toe, onvast wankel en niet verder vooruit kom.

Het strand is geheel verlaten. De zee is donkergrijs en ontoegankelijk.

Woeste schuimkoppen klappen op het zand. Heerlijk, ze vertellen precies wat ik innerlijk voel. Storm! Ik ben net terug uit Engeland waar ik mijn ex-vriend heb bezocht. We zijn nu een half jaar uit elkaar en zijn hier niet erg goed in. Telefoonrekeningen van halve maandsalarissen zijn het resultaat. Ik ben naar hem toe gegaan op vakantie in de hoop orde te scheppen in de chaos die ik voor hem voel. Het verloopt anders. Onze tijd samen is heerlijk. In de trein vanaf Schiphol, op weg terug naar mijn eigen leven, schreeuwt alles in mij dat ik de verkeerde kant op ga. Mijn hart vertelt mij, op niet subtiele wijze: ga terug, je hoort bij hem. Maar hoe kan ik terug gaan? Na alles wat er gebeurt is? Na alle pijn en ruzie?

Mijn verstand zegt mij, dat terug gaan naar hem, oerstom zou zijn. Ik heb een goed betaalde fijne baan, eigen huis, vrienden, fijne spulletjes, wie wil dat nu achter laten voor zoveel onzekerheid?

Maar, ik wil ook in Engeland zijn. Ik wil ook reizen. En vooral; ik wil bij hem zijn, mijn rots. Ik praat hardop in de wind. Deze buldert zo hard terug dat mijn eigen stemgeluid niet mijn oren bereikt.

“Wat nu God? Hoe kan ik terug gaan? Wat moet ik nou met dat gevoel in mij hart? Hoe kan ik alles zomaar achter laten? “GEEF ME EEN TEKEN!” schreeuw ik in de wind.

Mijn keel voelt schor van het laatste en ik irriteer mij, ernstig, aan mijzelf. Dan, zie ik wat op het zand liggen, in de branding, tussen het witte schuim van de golven. Niet ver van mijn voeten. Het is klein en smal, rood met zwart en wit en voelt licht aan in mijn hand als ik mij buk en het opraap. Ik veeg het af met mijn blote vingers en vanonder het schuim kijken twee zwarte kleine oogjes mij aan op een klein houten gezichtje. Mijn mond valt open en het wordt stil. Even is er geen wind, geen gedachten en absoluut geen twijfel. Daar, in de palm van mijn hand ligt een klein houten soldaatje. Een: Engels houten soldaatje. Zo één die je in Londen kan bewonderen voor het paleis. Op zijn hoofd is de gekke, zwarte, hoge hoed. De verf is op enkele plekjes gebladerd en zijn gezichtje heeft geen mond meer, enkel die twee guitige klaarogen.

Oké dan, ik heb mijn teken. Een niet subtiel overduidelijk teken.

Ik ga naar Engeland! Het kippenvel kruipt over mijn armen bij het besef. Ik ga het allemaal opgeven en naar hem toe!

Ik ga naar hem toe! Ik lach , ik huil, ik ren daar alleen over het eenzame strand door het aangespoelde schuim en verniel mijn te nette schoenen. Innerlijk weet ik nu drie dingen zeker; ik ga, ik hoor bij hem, en er komt nog meer strijd want: het is wel een soldaatje.

En, ik gaf de baan op, verkocht alles en ging met één koffer naar hem toe.

Inmiddels zijn we 18 jaar getrouwd.

Mijn rots en ik.